Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen (1753) vol 3.pdf/34

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

weêr uitschieden zal; neen, dat gaat zoo niet, gy zult 'er morgen nog eens na toe gaan, toonen de Weduw wat vrientschap, en zeggen, dat gy niet kond weg blyven. Gy moet het met geen onbescheit maar met zoetigheid aanleggen. Dit woord van zoetigheid nam hy in acht. Daarom, wanneer hy 's daags daar aan weder als vore netjes uitgedost naar zyn Weeuwtje gaan zou, liep hy onderweeg in een Banketwinkel aan, en koft zoo wat van die zoete versnapering, die hy zyn beminde ten eersten in de vuist stopte, die hy vond staan aan haar hoekbank met een stoof met vuur onder haar schorteldoek om haar handen te warmen. Hier kom ik weer, zei Jan, ik kan 'er zoo niet van daan blyven, myn Klopje is ook van die gedagten dat ik 'er niet van daan blyven moet, dat ik wat nader kennis moet maken, en 't werk met zoetigheid beginnen, en haalde daar op het papier met suiker banket uit zyn zak, en sneukelde het met haar samen op. Ondertusschen raakten zy zoo zoet aan 't koozen, dat hy zyn hantje meê op haar stoof ley, die hy wat vryer geworden, somwyl wat lager stak, en deed haar zonder spreken verstaan, waar hy naar zogt, 't geen haar niet kwalyk beviel. Om kort te gaan, zy werden op dien tyd het stuk eens. Maar, zei Maritje, wat zal het Klopje zeggen dat ik zoo haast gereed ben? Wel, zei Jan, zy zal wel bly wezen: want zy heeft my daar toe aangezet: kom laat ons eens beide daar na toe gaan, wy zullen welkom wezen. JAN dogt dat het Klopje deze nieuwe Zuster wel onthalen zoude, en hy meê wat smullen. Dog 't was mis geraden. Want het klopje begon strax een predikatie te doen over de pligten van den echten staat, prees Maritje dat zy ondernemen zou het huishouden van haar