Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen (1753) vol 3.pdf/341

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Van [1]Febus wakk'ren Rei, met Pindus vocht bespat,
De wierook voor haar zwaait, die druipt als geurig nat.
Komt, Amstelnimfen, vlecht nu Palmen en Lauw'rieren,
Om schand're Galatee voor eeuwig te versieren.
Dus kweelde Koridon tot dat de dag verzonk,
En 't Avondlicht weêr in Boötes tabbert blonk.
Toen zocht hy 't vee by een, en de afgedwaalde schaapen,
Om in een zachte kooi haar zoete rust te raapen;
Terwyl hy, in zyn stulp, geweken uit het veld,
Aan al zyn haartgezin van Galatee vertelt.

De Oly van haar levenslamp allengs door de vlam verteert, hield zy op, in 't jaar 1715 den 28 in Wintermaand van langer te schynen. Haar lichaam werd in, maar haar roem, en beeltenis buiten het graf gesloten, daar Katharine Lescalje onder haar Print dit byschrift op maakte:

Men eer dit Beeld, wiens geest en Schaar kan wond'ren teelen,
′t Papier herscheppende in onschatbre kunsttafreelen.

De Heer Blok, by wien haar gedagtenis in groote waarde blyft, laat haar Konstroem niet verwaarloozen: maar in tegendeel de namen, en zinspreuken door Waereldvorsten (ter gedagtenis dat zy haar berugte Schaarkonst gezien hebben)

  1. Daar de Digters hunne vaerzen in geschreven hebben.