Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen (1753) vol 3.pdf/344

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Graveerkonst maalde door het staal
Der vrouwen kroon, sieraad en praal,
JOANNA KOERTENS zedig wezen,
Van elk om haar vernuft gepreezen;
In 't koper af, die met de Schaar
Net trof na dat het voorbeeld waar,
En deed veel Vorsten eeuwig leeven.
Waar door zy word met glans verheeven.
Hoor hoe de schelle faambazuin,
Haar Schaarroem over zee en duin
Uitbromt, dat elk tot lof moet spreeken.
Deez print verstrekt een eereteeken.
Hier hout de zilvere klaroen
De Schaar gekroont in het blazoen,
Die ziet men heen en weder zwayen.
En tot triomf der Snykonst wayen.
Ook voert de vlug gevlerkte Faam,
Een blinkende eerkroon om haar naam,
Daar door aan 't Stargewelf te sieren,
Tot glorie van de Konstpapieren,
En dat deez' naamstar staadig mag
Hier schynen als de held're dag.
Heeft dan de doot haar dezen luister
Benyd, haar lighaam doen in 't duister
Verhuizen; met een zerk bedekt
Die hand die zoo veel lof verwekt;
En heeft zig 't sterff'lik deel begeven;
Haar roem, de dood ten spyt, blyft leven.