Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen (1753) vol 3.pdf/349

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

ramp gedrukt, roepen den bystand des doods aan, en uit hun veelvoudig geroep, oordeelende dat hy doof moest zyn, geven de een met een glas vergif, en de ander met een pook, een teeken van hem te naderen.

Dus is het ook met onzen Schilder gebeurt. Hy was zyns vermogens in de Konst bewust: maar wat kon hem dat baten? Hy moest zien dat anderen, die minder in de Konst waren, door het geluk wierden opgebeurt, daar hy bleef zugten. Dit smartte hem, en raadplegende met zyn ongedult, in plaats van met de reden, nam voor dit onregt, dat hem de Schikgodin aandeed, te wreeken, met dat voorwerp van haar weg te rooven, en voerde dit heiloos besluit ook uit. Hy zette zyn ponjaart in een hoek van zyn vertrek, schuin met de punt opwaarts, liet zig achter over daar in vallen, en maakte dus een einde van zyn leven. Dit was in den jare 1685.

De Heer Lud. Smids die tot den jare 1684 tot Groeningen gewoont heeft, heeft den zelven gekent, en om zyn Konst dikwils bezogt, op sommige ook zyner Konststukken een byschrift gemaakt: als aan de verbeelding van Alcestis, aan haar man Admetus weder overgelevert, te zien is.

Hier word [1]Alcestis, door Alcides kracht, herstelt; Alcestis, 't voorbeeld van regtschapen gemalinnen,

  1. Admetus, Koning der Fereers, in Thessalie, had van Apollo (om den dienst aan zyn zoon Esculapius bewezen) tot belooning gekregen, dat, als hy ziek kwam te worden, en ymand van zyn nabestaanden voor hem sterven wilde, hy dan zou blyven leven. 't Gebeurde dat hy krank wierd, des smeekt hy zyn afgeleefden Vader, en stokoude Moeder, dog te ver-