Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen (1753) vol 3.pdf/364

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

pen van twee jaren by G. de Laires tot Amsterdam. Naderhand by zig zelven de Konst oeffenende, gaf hy proeven van zyn grooten geest, en verzegelingen van 't geen in hem te hoopen stond. Hy was stout in zyne ondernemingen, en gereed om groote zaken de Konst belangende t'ondernemen, maar ook met een byzonderiyk dristig en haastig, zoo dat hy ('t geen my voor de waarheid verhaald is) eens drie of vier weken aan een stuk geschildert had, en als hy het niet na zyn zin konde krygen, een mes nam (niettegenstaande dat zyn Broeder die agter hem stond 't zelve wilde beletten) en sneed den doek aan riemen. Dit werk ondernam hy andermaal: 't lukte hem, en hy maakte een geschenk daar van aan den Heer de Graaf, die het dankelyk aannam, hem een paart gaf, en een dikke goudbeurs bezorgde, en zont hem onder den zwier van den Heere van Heemskerk (als hy voor Ambassadeur van wegens den Staat naar Vrankryk ging) meê naar Parys, daar hy zyn Fortuin gevonden zou hebben, had de dood hem niet na 't verloopen van een jaar uit dit leven weggerukt, en dus alle hoop verydelt.

Nu volgen de twee gebroeders THEODORUS EN CHRISTOFFEL LUBIENIETZKI, waar van de eerste is geboren te Cracou in 't jaar 1653, de ander te Stettin 1659, zy hadden beide de teeken-en schilderkonst in hunne jeugt tot hun vermaak geoeffent by Juriaan Stur te Hamburg, nevens andere pryswaardige oeffeningen voeglyk aan jongelingen van edele geboorte.

In den jare 1675 in Oegstmaand kwamen zy tot Amsterdam, en begaf zig CHRISTOFFEL ten eersten by Adriaan Bakker om de Konst voort te