Lief hebbers, Konstenaars, die op de Voetboogszaal,
Staat met den anderen gereed, om 't middagmaal
Te houden: Het dronken drinken zy geschuwt van dezen dag;
Die drie gezontheên heeft blootshoofds voldaan, vermag,
Indien hy meerder wierd gevergt, die neêr te zetten;
Den genen die meer lust, en zal men 't niet beletten,
Zoo slegs geen overdaad aan tafel word gepleegt.
Joost van den Vondel was niet alleen mede op dit feest gelyk anderen genoodigt, maar werd ook aan 't hooge eind van de tafel in een grooten zeetel geplaatst, en hem door iemant Apollo verbeeldende een Laurierkrans op 't hoofd geplant, gelyk het Brant dus in zyne levensbeschryving, agter het 2de Deel van zyne Poëzy gedrukt, aanhaald. De gryze Vader kroonde het feest weder met dit volgende gedicht.
Uit minne draait naar 's Hemels bogen,
En volgt met haar gezicht
Het alverkwikkend licht,
De Zon, die 't al zyn verwe geeft,
En daar geboomte en plant by leeft;
Zoo volgt de Schilderkunst,
Uit aangeboren gunst,
Ontsteeken van een heilig vuur,
De schoonheid van natuur,
Met hare streken en penceelen;
Geeft doode doeken en paneelen