Verkloekt de menschen en 't gediert.
ô Eedle Schildermin,
ô Tiende Zanggodin.
Wy loopen u met dandre negen
Parnasgodinnen tegen: '
Van zingen nog van speelen moe:
Ontfang dees Kroon: zy komt u toe.
Het welk beantwoord werd met dit volgende Klinkdicht.
Toen 't groote licht verscheen op 't feest der Konstenaren,
Was ieder een verheugt, en zoo vernoegt en bly,
Dat wie den Vader zag, ontstak in Poëzy,
Nu dat de Konstgodin hier met Apol zou paren.
Terwyl de Priesterschap, door zang en spel der snaren,
Begroette dus die Zon: ô Feniks van ons Landt!
Die 't gansche Helikon doet luisteren naar uw trant,
En wyd aan God Jupyn een kroon van gryze haren,
Die stadig zyn omringt niet heil' ge Laureblaan.
Wat offer zullen wy u voor dees weldaad branden?
Wie dankbaar is voor gunst, die heeft de gunst voldaan.
Wat dankbaarheid is meer als duizent offerhanden.
De Vader zy vernoegt, nu dat St. Lucas hier
U schenkt Apelles schilt, Apollo zyn Laurier.
Elk maakte zig vrolyk, en verheugt op dit feest, de glazen klonken in 't rond, en de geesten door Bachus druivensap vervrolikt, schenen al op Pindus heuvel verplaatst te wezen. Des