Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen (1753) vol 3.pdf/37

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

begin van myn boek gezegt heb) den Lezer eens voor al te berigten, dat ik met myne wyze van schryven geen toeleg heb om iemant door myn pen te steken: maar heb de bedryven van myne Konstgenooten zodanig te boek geslagen als my daar ontrent uit onpartydige monden is verhaald, zonder tot de zaken door zugt of haat, iet af of toe te doen; en dus den raad van sommige neuswyze bedillers, welke wilden dat ik alle fouten en gebreken der Konstschilders, die my in hunne levenswyze ontmoeten, over 't hoofd moest zien, en geen aantekening daar van houden (even als of zy alle onberispelyk geweest hadden) afgekeurt.

Ik beschryf de levensbedryven van menschen, die van gelyken aart als hun eerste Vader, hunne begeerten en genegentheid niet altyd met een Kaperson bestierden, maar somwyl den toom los gaven, en by gevolg zoo goed en zoo kwaad, als ik de zelve bevind. Dus is myvan Mander, wiens voetspoor ik volg, voorgegaan, die 't effens 't geen te pryzen en te laken was, in zyne Konstgenooten, heeft geboekt.

Die iemants pourtret schilderen wil, moet de eigen kenbare wezenrstekken daar in opvolgen.

De Konstenaar doet hier ontrent somwyl de geneigtheid van 't voorwerp wel wat ten gevalle; dog hoe meer hy zulks doet, en van de ware verbeeldings trekken afwykt, hoe min het verbeelde de ware beeltenis gelyken zal, en hoe meer hy de Konst te kort doet. Even dus zou ook van myne schryfwyze, indien ik alle zwakheden en fouten, de bedilzugt ten geval, onaangemerkt liet, konnen gezeit worden: dat de zelve in hare uitdrukkingen geen gelykheid hadde naar die per-