Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen (1753) vol 3.pdf/379

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

en kladpot moest generen. In tegendeel is de Konstzon van onzen Ridder van tyd tot tyd zonder eenige beneveling in de hoogte opgeklommen tot den middagkring, van waar zy hare konststralen de Waereld overspreit, en de mindere konstlichten doet ontsonken.

Leiden bromt op zyn geboorte voorgevallen op den 25 van Sprokkelmaand 1656. Zyn Vader was een Konsthandelaar, die ziende dat hy onweerhoudelyk van natuur tot de teekenen schilderkonst geneigt was, en kennende de spreuk: Een goed begin maakt een goed einde, hem bestelde by den berugten Gerard Dou om van eersten af naar vaste grontregels geleid te worden.

Voor af heb ik vergeten te zeggen dat zyn Vader hem tot de taalgeleertheid meende op te kweken. Maar als hy bespeurde dat Karel een tegenzin in 't leeren van talen had, en geheel tot de schilderkonst geneigt was (met onwillige honden is 't kwaat hazen vangen) zeide hy, Laat hem maar teekenen leeren, dit komt tot alles te pas. Dit stont Karel wonder wel aan, die ook zyn tyd onder opzigt van G. Dou met yver waarnam.

Naderhand, en om zig tot een kloeker penceel-behandeling te gewennen, werd hy tot Amsterdam by den vermaarden pourtretschilder Abraham van den Tempel bestelt; dog deze ontviel hem vroeg in 't jaar 1672. Van daar trok hy weder tot Leiden by Frans Mieris, en eindelyk te Dordrecht by Godf. Schalken, daar ik hem voor de eerste maal heb leeren kennen. Ik weet niet wat reden hem daar toe beweegde; aangezien hy toenmaals de Tekenkonst al vry beter verstond dan Schalken,