ten ware hy het alleen gedaan hebbe om zyn vleyend penceel (waar door hy berucht is) in zyne behandeling af te zien.
Zoo ik nu de eedle penceelkonst die hy bezit naar waarde wilde pryzen, my zouden geen doorlugtige voorwerpen ontbreken om hem daar by in vergelyking te brengen; en overvloedige reden vinden om op dien voet voort te draven, ten waar my de pen van Gratiaan geleert had, den toom daar omtrent in de hant te houden, en liever te misdoen door te weinig, dan door te veel iemants werk te roemen; want de bovenmatige lostuitingen (zeit die vernufteling) verwekken de nieuwsgierigheid, en prikkelen de nyd: zoo dat indien de verdiensten niet over een komen met den lof, word het pryzen voor bedrog gehouden, en maakt dat de oppronker en die opgepronkt word beide belacht worden. Maar myn toeleg is niet, van de Konst der levendigen te oordeelen of die naar waarde te roemen; om dat ik bezwaarlyk het ieder van pas zou konnen maken. Des heb ik best geoordeelt ieders Konst zelf te laten spreken, en maar alleen den konsthevenden die met den vinger aan te wyzen. Dichters nemen daar omtrent meerder vryheid aan zig, als wel een Historie- of levensbeschryver voegen zoude.
Hy heeft de Konstgodes altyd uit geneigtheid, met lust, en niet als slaaf, gedient, nog de Fortuin lastig gevallen, maar haar aangegrepen als zy hem gunstig voorkwam, en veel gedaan, schoon niet in vergelyking van anderen. Maar wel gedaan is veel gedaan. Laat de onwetenheid smalen, dat zulk een konstpenceel niet onophoudelyk werkelyk gehouden word, de verstandigen kennen de spreuk die zeit: De zekerste weg van te behagen, is een