Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen (1753) vol 3.pdf/400

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

bezwering van zulk een kragt is, dat het de hoef van 't paart kan hart maken, zoo verwonder ik my dat 'er nog Hoefsmits in Italie gevonden worden.

Na dat hy nu eenige agtereenvolgende jaren te Venetien de Konst geoeffent had, ook te Rome, en menigen vrolyken avont met de Bentvogels had doorgebragt, kwam hy weder te Utrecht woonen by zyn Broeder den Postmeester.

Naa eenigen tyd verblyfs aldaar werd hy aangezet door den Heer Tailler geweest Professor der Wiskonst in de Illustre school te Nimwegen, die hem hoop gaf van door den Heer Dankelman in dienst van 't Hof te Berlyn te geraken. Zy begaven zig dan derwaarts heen: dog die aanslag lukte niet, maar liep vrugteloos af, hoewel hy al een schoon gezicht van dat Hof op doek had begonnen; om dat de Heer Dankelman in ongunst van 't Hof raakte. Hy liet zig nog een wyl door anderen met hoop vleyen, waar na hy gedenkende aan de Italiaansche spreuk, die zeit: Lieden in hoop te onderhouden is beleeftheid, zig op hunne erkentenis te verlaten is slegtheid; want aan de erkentenisse is het alzoo eigen te vergeten, als aan de hoop te gedenken; reden vont van hoe eer hoe beter te vertrekken, te meer wyl zyn reisgenoot Joh. Tailler, anders Speculatie, ziende zyn toeleg meê verydelt, 't zig zoo aantrok, dat hy een mymering in zyn hersens kreeg, die meer en meer zig begon te openbaren. Want komende op een morgen by onzen de Heus, verhaalde hy hem dat 'er op zyn leven toegeleid wierd, en verzogt dat hy in aller yl de reis met hem naar Holland wilde aannemen, en zyn kleederen hem aantrekken. De Heus die terstont bemerkte wat 'er haperde, en dat het zyn reisbroeder in den bol scheelde, zeide