Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen (1753) vol 3.pdf/401

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

al lachende: wout gy dan datze my voor u den hals braken? Hy zogt gelegentheid die hy kreeg, om met spoet weg te geraken naar tSticht, oeffenende zyn Konst, die meest naar Italie verzonden werd.

De naarstigste was hy niet, maar wonder vaardig en fiks in zyn penceeloeffening, want zelden schilderde hy naamiddags, die hem met den avond tot uitspanningen diende, en als hy geneigt was dien wat langer te rekken ging hy somwyl zyne kennissen tot Amsterdam en elders bezoeken.

Zyn laatste plaisierreis naar Amsterdam, die hem de dood aanbragt, staat nu gemeld te worden.

Bloeimaand, die hem voor Bloedmaand strekte, was gekomen, als de Heus het Sticht (onbewust wat hem zoude overkomen) het laatste vaar wel toeknikte, om zig tot Amsterdam by zyne vrienden en konstgenooten wat te verlustigen. Wat gebeurt 'er? hy die nu al eenige dagen met de neus in 't nat geweest had, laat uit op nieuws bewogen zonder zig te rusten, tot den dans, waar door hy zig zoo vermoeide, dat hy genootzaakt was voor altyd te rusten.

Dien zelven naamiddag ontmoette hy Albert van Spiers, anders de Piramide, dien hy van oude kennis wegen verzogt met hem te gaan, in 't gezelschap, aangezien van Spiers ook by Jan vander Keere, toen een Goutdraattrekker, die hem genoodigt had, bekent was. De Heus hield sterk daar op by hem aan, dog hy, die zig anders wel met een stroo, als het spreekwoord zeit, liet trekken, weigerde zulks, zeggende dat