Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen (1753) vol 3.pdf/428

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

hand tot Leiden van verscheide lief hebbers voor een stukje van Mieris aangezien wierd.

Alle de genen, waar in wat groots van geleertheid, weetenschap of Konst, te wagten was, gaven vroeg blyken daar van, even als het roode teeken aan de Oostermorgenkim eenen schoonen dag voorspelt. 't Lust ons een opmerkelyk voorbeeld of twee, van zulken die in hunne lentejeugt staalen van hun vernuft deden zien, en die tot meerder jaren gekoomen de waereld met den glans hunner geleertheid hebben verligt, aan te haalen.

Van Hugo de Groot getuigt Brant, Dat hy vroeg zoo veer in de Latynsche taal gevordert was, dat hy met zyn twaalfde jaar op de Hooge Schole te Leiden gebragt wierd, daar hy in drie jaren alles daar hy zig toe geschikt hadde, als Regtsgeleertheid, Godgeleertheid, Wiskonst en Heemelloopkunde afgedaan hebbende, nog naauwlyks vyftien jaren oud zynde, zig in 't gevolg van den Heer Johan van Oldenbarnevelt, in gezantschap aan den Koning van Vrankryk Henrik den Grooten vertrekkende, begeeven heeft. Aldaar den tytel van Regtgeleerden verkregen hebbende, is hy van den Koning niet alleen met een goude keten, maar ook om zyn uitstekende geleertheid in die jaren, met 's Konings afbeeltsel beschonken.

Geraart Brandt werd in de lente van zyn jeugt, door zyn vleyende Zanggodes het dichtvuur in den boezem gesteeken, het geen te zien is in het pleit tegen de uitgave van het toneelspel de Veinzende Torquaat, dat van Baarle vereert met dit volgende vaers: