hem zulks afrieden, daar men de blyken van ziet, in die onderstaande vaers:
Hoe DOUW! zal Stuart u de Vuurbaak der penceelen.
Naar Withal sleepen, ai gaa niet naar Karels Hof
Verkoop uw vryheid niet voor rook, voor wind en stof.
Wie 's Vorsten gunst zoekt, moet voor slaaf en vleyer speelen.
Ook waar het noodig geweest, dat wy dit onderstaande Vaersje tot roem van 's mans Konst in zyn levensbeschryving hadden te pas gebragt, waar in de Dichter hem toesprekende dus zeit, op 't zien van een Pourtret van J. Lievensz, den Ouden.
Is dit maar doodverw, LIEVENS, hoe!
Het leven tintelt in uw streeken,
Ey doe 'er niet een trek meer toe,
Of 't Beeld zal licht om zitgeld spreeken,
En zweeren dat de Schildery,
SILVESTER is, en hy Copy.
Maar wie kan alleen zoo veel, als velen te zamen weten? overzulks is 't ydel my daar over te kwellen. Waar 't anders, daar zou geen gelegendheit geweest hebben tot eenig naaverhaal: 't geen my egter nog al welkom is, schoon het te ontyde komt; om dat de Lezer 't zelve in zyn geheugen met het voorige gemelde van Ger. Dou en Jan Lievensz, kan samenschakelen. Maar licht word my dit (hoe onschuldig) nog wel voor een misslag aangevreven, gelyk my gebeurt is over het schryven van Napels in Sicilien in myn eer-