uuren verloopen waren, wanneer hy opstond. Dit viel voor aan 't Huis van den Opperschout Terburg. Neef van onzen Schilder, die een Man was die veel verstand bezat, en waar van de Prins van Oranje veel werk maakte, by wien hy ook altyd t'huis lag als hy te Deventer kwam.
TERBURG vleide den Prins om voor 't laatst nog eens voor zyn pourtret te zitten, maar hy wilde daar niet aan, zeggende: dat hy dan in den Haag moest komen. Hy beducht dat 'er met het laatste schilderen iets van de wezentheid (gelyk somwyl met dikwerf overschilderen gebeurt) mogt uitraken, maakte een evengelyke kopy naar het eerste en nam dat meê naar den Haag.
De Prins zat dan eindelyk nog eens voor het zelve en had 'er zulk welgevallen in dat hy zyn Zegel daar op drukte en het zelve belaste voort op te maken. Dus behield onze Schilder (zonder voorbedachten toeleg) het egte afbeeldzel van den Prins, het geen hy naderhand aan een Heer van Amsterdam voor een fraaije Koets verruilde, die hy zedert tot zyn gebruik hielt.
Hy wist door zyn Konstpenceel niet alleen de vaste wezenstrekken, en den ganschen zwier levendig na te bootsen, maar ook de bekleedingen, en byzondere stoffen naar hun aart, dog boven al het wit Satyn zoo natuurlyk, dun en konstig te schilderen, dat het waarlyk Satyn scheen te wezen, waar om hy het zelve ook menigwerf in zyne Konststukken te pas bragt.
Onder de menigvuldige en uitvoerig geschilderde Pourtretten word inzonderheid geprezen, dat van Juffr. Kornelia Bikker, daar Jan Vos dit vierregelig Vaersje op maakte: