Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen (1753) vol 3.pdf/53

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Leiden is geboren in 't jaar 1615. Meer hebben wy niet konnen opspeuren, waarom wy hem by zyn tydgenoot hebben geplaatst: daar zyne Beeltenis zig in de Plaat B 4, nevens G. Terburg doet zien.

De Konsthevende Heer Jan de Wolf heeft een Konststuk van METZU gehad, en wel het grootste en woeligste dat ik ooit van hem gezien heb, verbeeldende een Kraambezoek van Juffrouwen en Heeren. Dit stuk was zoo fraai van schikking, zoo geestig los en konstig geteekent, 't naakt zoo zagt smeltende, kragtig en helder, en de verscheiden stoffen en satynen, zoo dun geschildert, en natuurlyk geplooit, dat het een lust was om aan te schouwen. Daar benevens was aan de byzondere wyze van staan en buiging der beelden, zoo als zy malkander bejegenen klaar te zien, wat elk zeggen wilde. Over zulks heb ik my altyd verwondert, dat gemelde Heer zig daar van kon ontdoen.

Thans is 'er in den Haag, in 't Kabinet van den Konsthevenden Heer Joh. van Schuilenburg, een Konststuk, meê in zyn besten tyd geschildert, verbeeldende een Juffrouw, die haar handen wastboven een zilvere lampetschotel, welke van een Dienstmeid word opgehouden, terwyl een Heer ter kamerdeur inkomende, zig voor haar buigt.

De Konstminnende Heer Hieron. Tonneman heeft een kleen stukje, maar op 't allerkonstigst geschildert en geteekent, verbeeldende een Vrouwtje dat de luit stelt. Het Vrouwe troonetje, behalve dat het een schoon leven is, is ook schoon, dun, uitvoerig en kragtig geschildert: dus ook de hantjes, die, al hadze van Dyk geschildert, niet konstiger konden wezen. Het Fluweele jak-