vast bezig om de voorwerpen met toetsen in hun ruim beslag af te schetsen als zy van de genen begluurt werden, die kort by hen aan de wasbakken, die onder aan den Berg by 't water stonden, af en aan naar de Stad gingen, en daar het kwaad vermoede dat zy hadden verspreiden; waar op straks een menigte van menschen zig op de oude en nieuwe vestingen deed zien, die in grooter getal aangroeiden, zonder dat onze Teekenaars weeten of ramen konden wat zulx te beduiden had, als dat het uit nieuwsgierigheid (wyl zelden ymant van de Roomers zoo veer af ging teekenen) geschiede. Wat gebeurt 'er? Een Huis dat dicht aan den wal stond stort in, en kuitelt van de rots met groot gedruis naar beneden, waar door nog een mulders huisje dat aan den gemeenen weg stond beschadigt werd. Dit versterkte te meer hun dwaze verbeelding, hun door gemelde aanbrengers ingeboezemt dat zy Toovenaars waren die door de kragt der tooverletteren en bezweringen hun Stad tragten te verdelgen, waar op al het Volk als in eenen oploop uit de Stad naar hen toe zette, scheldende en razende op hen, als wilden zy hunne Stad door tooverkonst en bezweringen omwerpen en de Inwoonders verwoesten, nemende dit onverwagte instorten van gemelde Huis tot hun voordeel zeggende: Dat het geen wonder was dat het zelve neerstortte; aangezien die oude muragien de kragt der Duiveltjes indringende tusschen de voegen der steenen niet wederstaan konden. En 't was hun behout dat WILKENS, VAN LINT, die het op een loopen wilde stellen, zulks afried, en hun geluk dat de Gerechts-Dienaars meê onder den drom des Volks ter Stad uitgeloopen de handen aan hun
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen (1753) vol 3.pdf/61
Uiterlijk