sloegen, en dus de woede des Volks beletten. Deze bragten hen gevangen ter Stad in over het marktplein, 't welk grimmelde van Volk dat hun naschreeude. Toovenaars Toovenaars, tot het huis van den Gouverneur dier plaats; voor wien zy haast hun onschult deden blyken, en zien dat het bygeloof de grond tot dusdanigen oproer geleit had; Waar op zy werden vry verklaart, en de oproerigen gestilt, dog niet zoo of hun wierd (wanneer zy den volgenden dag met een post Chaise uit hun Herberg vertrokken) van velen Toovenaars. Toovenaars, nageroepen.
Hier aan volgt de brave pourtret en gezelschapschilder PIETER VAN ANRAAT. Deze was een Nederlander van geboorte, maar van wat Stad weet ik niet, nog ook in wat jaar hy geboren is. Hy was een potsige knaap, en beminde inzonderheid de Rymoeffening van Jan vander Veen, om welke reden hy veel omgang met hem hield, gelyk hy ook (om den bant van vrientschap des te rasser te vinden) naderhand deszelfs Dochter getrouwt heeft, met welke hy, nevens verscheiden Kinderen in 't jaar 1672 tot Amsterdam kwam wonen, daar hy de Regenten van 't Huiszittenhuis op de Breestraat in een stuk geschildert heeft, 't geen byzonder word geprezen, maar waar hy 't sedert vervaren is weet ik niet.
DE BAKKER ('t is onbedenkelyk dat des mans Konstwerken niet bekent zyn, of hy moet zig buitens lands onthouden hebben om dat hy in zyn Vaderland geen begunstigers vont) is een groot meester geweest: van dezen heb ik een Konststuk gezien, verbeeldende het laatste Oordeel daar veele naakte Vrouwen en Mannen beelden in kwamen, de voorste een en een