ley, daar steile klippen, tusschen beide beplant met lynrechte mastboomen, en geciert met huppelende steenbokjes by het ruisschen van een neerstortende waterbeek. AKERBOOM gesigten van Steedjes Dorpen Buurten enz. Ik heb de Stad Doornik in 't kleen door hem verheelt gezien, 't welk verwonderlyk uitvoerig geschildert was. PIETER GYZEN Leerling van Jan Breugel kleene uitvoerig geschilderde Landschapjes met beeltjes. 'k Heb ook gesigten van den Rynstroom, op de wyze van H. Sachtleven van hem gezien, die Konstig behandelt waren.
ROMBOUT VAN TROJEN schilderde velerhande vermakelyke Italiaansche Landgezigten, en eigen verzonnen bouwvallige Paleizen, en geestige doorgezigten van onderaartsche spelonken schoon hy nooit Rome gezien had. Hy stierf tot Amsterdam daar hy altyd gewoont heeft in den jare 1650.
D'eerstgemelde EVERT OUDENDYK van Haarlem had een zoon ADRIAAN genaamt die meê de Konst oeffende; maar of hy niet vernuftig was, en egter daar voor aangezien wilde wezen, weet ik niet: maar my is verhaald, dat hy het Landschapschilderen van zyn Vader geleert had, en dat hy de Beesjes om de selve aangenaam te maken, uit de stukjes van Adriaan van den Velde, en de Beeltjes, of boertjes, bot uit Tafereeltjes van Tom. Wyk en anderen wist te rapen en daar meê zyn penceel werk op te cieren; waarom hy ook Rapianus in de wandeling genoemt werd.
Nog minpryslyk deed VAN HARP. Deze had een bevallig penceel, schilderde naakte beeltjes en kindertjes, ook Ceres, en Bachus feesten: