Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen (1753) vol 3.pdf/71

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

De preekstoel van 't Penceel heeft dikwils deugt bedreven.

Dit Konststuk heeft vele jaren geweest, en is nog onder het geslacht van den Heere Kromhout tot Amsterdam.

Hy schilderde by wylen ook een pourtret, als aan dit volgende vaers van den Dichter Jan Vos op zyn afbeeltsel gemaakt, te zien is:


De Dapperheid zoekt roem door 't scherpe staal te haalen.
De Dichter weet het graf t' ontworst'len door zyn schacht.
Elk poogt het woeden van de doodschigt te bepaalen.
Wie lang wil leven eist of schranderheid, of kragt.
Ik zoek geen eeuwigheid door vorstelyke tooneelen;
Nog staatcywagens; nog door zegeboogen; neen:

ZJERDYN beschermt my voor de Dood door zyn penceelen.
De kunsten van Apel verduuren marmersteen.
Natuur heeft my geschept: maar zwakker dan zyn verven.
Wie door de maalkunst leeft, behoed zy ook voor sterven.

Hy was naar het ons toeschynt een losse bol. De Heer Joan Renst, zyn goede kennis, nabuur en Huisheer was voornemens een reiste doen naar Italie, vooral om Rome te zien, en KAREL zou hem (was het voorgeven) verzellen tot Tessel, daar het Zeeschip, zeilree om naar Livorne te stevenen op anker lag; men zegt dat hy, op zyn muilen was als hy meê ging. Maar KAREL schreef den volgenden dag om verschooning