Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen (1753) vol 3.pdf/87

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

bescheiden, een hater van lossebollen en kroeggangers, yverig en naarstig in het behartigen van de konstoeffening, inzonderheid ook geneigt tot kennis en wetenschappen, de Bybel en Godsdienst betreffende; daar hy zoo ver in gevorderd was, dat hy tot een proef daar van, voor zyne bekende en vrienden, zig in de St. Jans Kerk, tot Utrecht van den preekstoel liet hooren, die hy zulk genoegen gaf, dat het in overweging genomen wierd, of men hem in die oeffening, dan die der Schilderkonst zoude opvoeren. Daarenboven was hy van een Godsdienstigen aart, storte dikwils des avonds in zyn slaapvertrek gebeden, met zulken ernst, zoo opgetogen, en vermengt met hemelsche bespiegelingen, dat zyn Oom en Moei, by welke hy toen woonde, en verder huisgezin (dus heeft my de Konstschilder Jan Weeninx, zyn neef, met eigen mond verhaald) dikwils in der stilte op de trappen daar na stonden te luisteren. Ja men houd het voor zeker, dat de veranderinge van zyne levenswyze, uit de bedilagtigen aart van zyne huisvrouw, en hare zusters, die by hem in huis woonden, is veroorzaakt, en haar beginzel genomen heeft, uit dagelykze talmeryen; want die ook niet dulden (als knorrende) dat hy zyne goede vrienden, eenig bewys van vriendschap aan zyn huis deed; hierom is het wel meer als eens gebeurt, dat hy de zelve buitens huis in een Herberg onthaalde, en zyne vrouw, op dat zy niet agterdenkende zou wezen, van anderen daar by liet nodigen, die dan voor die tyd wel te vreden was. En hy had wyslyk gedaan, zoo hy altyd naar het voorbeeld van Socrates, geduldig in zyn lot had geweest, in plaats van zyn smart door wyn te verdryven. Want deze gevraagt, hoe hy het stadig