Koning te spreeken, met wien hy belangen had, van wegen het beschilderen van de zaal te Withal, 't geen wel bedongen was, maar niet betaalt; welke stukken hem, wyl hy tot Londen was, van Antwerpen, daar hy dezelve geschilderd had, werden toegezonden.
Karel Stuart, die men gelooft dat dien toeleg begreep, bewees hem ongemeene beleeftheid, en vrientschap.
My, in den jare 1714 daar zynde, dreef een zucht, zoo om het Konstwerk, als de Zaal, waar uit Koning Karel de slachtbyl te gemoet trad, te zien: welke zedert den tyd van die Marteldood, niet meer tot een gerechtsbank, maar om 'er vreemde Potentaten en Ambassadeurs op te onthalen, waarom nu als noch Bankethous genoemt word, gebruikt werd. Thans worden 'er om de schaarsheid van Kerken, die men te Londen heeft, alle naarmiddagen de Common preers, de gemeene gebeden, in voorgeleezen, en des Zondags in gepredikt.
By dit, mochten wy ook wel gedachtig wezen, als een zyner voornaamste werken, de galery van Luxemburg, een werk dat hem zoo veel roem heeft bygebracht, en nu noch, vermits het in zyn geheel door de beste Graveerders, als G. Edelink, G. Duchange, Kornelis Vermeulen, B. Picard, A. Loir, en B. en J. Audran, in koper gesneden is, de drukken daar van door alle Landen en Koninkryken verspreit, de waerelt doen zien, wat hy door de Konst vermocht. Overzulks zoude het te vergeefs zyn dat wy breedwydig zynen lof melden. Al die Konsttafereelen, tot Altaarstukken of ergens anders toe gebruikt; ook een menigte Pourtretten, voor Vorsten en Princen geschildert, melden zelf den lof van hunnen maker.