gedenkt aan hun beide in de beschryving van Haarlem, met dit volgende rym:
Hoe wakker schildert FRANS de luiden naar het leven?
Wat zuiv're beeldekens weet DIRK ons niet te geven?
Zyn brave Konst en stoute wyze van penceelbehandelinge, maar niet zyne levenswyze moet de schilderjeugt zig ten voorbeeld, en tot naarvolging stellen, aangezien hy geen goed bestierder van zyn levenskar was, als die niet zelden van 't middelspoor afholde, wyl hy zyne driften te ruimen toom vierde.
FRANS was gemeenlyk allen avond tot de keel toe vol met drank. Echter hadden zyne Leerlingen groote agtinge voor hem, en de oudste verstonden malkander daar in, dat zy by beurten agt op hem gaven, en hem des avonds, inzonderheid wanneer het duister of laat wierd, uit de kroeg haalden, op dat hy niet in 't water zoude loopen, of op een andere wys eenig ongeluk ontmoeten; die hem dan gevoegelyk t'huis bragten, koussen en schoenen uittrokken, en te bed hielpen.
Deze, die dan de een voor en de ander na, agt gegeven hadden, dat hy, hoe beschonken, egter eenig avondgebed, uit gewoonte, uitstamerde, en altyd besloot met dezen wensch: Lieve Heer, haal my vroeg in uwen hoogen Hemel, waren agterdenkende onder malkander, of dit wenschen van hunnen meester wel ernst was. Des bedachten zy te zamen een middel, om daar proef af te nemen. Een Adriaan Brouwer, die een Leerling van hem was, van de jeugt af aan op potseryen