Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1718 vol 1.djvu/135

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Dat zelf de geest van Rome en Grieken
Nooit hooger zweefde op zyne wieken.
Met welk een' zwaai en staatigheit
En priesterlyke Majesteit
Verschynt al 't Heidensch Priesterdom
Voor d'oude Stad, vol yvers om
Te wierooken voor Christus Boden,
Hier aangezien voor Grieksche Goden!
Men acht dat hier in menschen schyn

[1]Merkuur, en Dondergod Jupyn
Verschynen, om den Jongeling,
Die flus op krukken ging, en hing,
Te heelen, zonder konst van kruiden.
Dat stuk verbaast veel duizend luiden.
Een rykdom, en verscheidenheit
Van toestel naderd, en geleit

[2]Bekranste en [3]witte Stieren vast

  1. De bygeloovigheid had den oude Heidenen ingeboezemt te gelooven, dat de Hemelgoden zomtyds in menschelyke gedaante op de waereld verschenen, en omgang met de volken hielden, 't welk de oude Fabeldichters hielpen onderschragen; onder welke Naso, als een der voornaamste, wel mag gestelt worden, die by 't leven van Keizer Augustus een geheel boek van die herschepping geschreven heeft; in het welke hy onder meer andere vertellingen (want hooger staan zy by ons niet te boek) verhaald, hoe Jupiter en Merkuur, in Menschelyke gedaanten omwandelende, de ondankbaren verdelgden, en de herbergzame Philemon en Baucis in boomen veranderden; om dat d'een des anders sterfuur (dat hun beede was) niet met smarte zoude zien, waar op de puntdichter L. Rotgans, aldus zeit:
    Zoo treurt Philemon nooit by 't Lykvier van zyn vrouw;
    Noch Baucis scheurt om hem 't gerimpelt vel uit rouw.

  2. Bekranste] Dat de slachtdieren als zy naar 't outaar geleid wierden, met groene kranssen om hals en lendenen omhang-
  3. §