Naar d' Offerplaats op 's Priesters last,
Op veêl, tamboer, en lier, en fluiten,
Langs 't ryk bestrooide padt naar buiten.
Hier blaken fakkels, licht en klaar.
Hier riekt de wierookkandelaar.
Hier glinstren wierookvat, lampet,
En goude schotel, op dien tredt.
De Byl, en Bloetpan op het slagten
Van Vee en Offerhande wachten.
Een kenner ziet hier, heel vernoegt,
Hoe d'eene persoonadie voegt
By d' nder; en hoe elks gelaat
En ampt, gelyk een zangers maat,
Zyn plicht bewaart: hoe kleene en grooten
en waren, daar van hebben wy verscheyden voorbeelden in d'oudheid: gelyk ook anders, de lenden met een offerkleed, bestikt met goude en zyde Loopwerken, overdekt, en het hoofd met een pragtige offerhuif opgeciert, die tusschen de hoornen uitgespannen met zyde koorden aan de topeinden der hoornen gebonden wederzyds met kwasten afhingen, waar van wy de gedaante, afgeteekend uit een marmere fries, den woedende tyd ontrukt, om de gedachtenis daar van te behouden, hier nevens in print aanwyzen. Tot meerder opciersel hebben de Heydenen ook zomwylen de hoornen van het offerdier verguld. Ovidius zegt in zyn 10 Boek der Herscheppinge.
Indutaque cornibus auro victima,
Dat is;
'T slachtofferdier hebbende de hoorenen verguld.
Witte stieren] Het offerbeest zullende dienen ter eeren van eenig oppergod moest niet alleen uitgelezen uit andere geenig mangel hebben, maar ook hagel wit wezen. En in tegendeel pikzwart als het dienen zoude tot een offer voor de Geesten en onderaardsche Godheden; gelyk L. Smidsheel wel heeft aangemerkt in het kantschrift op Nazoos werken, gelyk wy ook breeder zullen aanwyzen, wanneer wy van deze dingen in het byzonder zullen handelen.