Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1718 vol 1.djvu/140

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Maar om dat het aller Schilders doen niet is, met de neus in de boeken te snuffelen; heb ik my de moeite getroost van nazoek te doen, aangaande de gereedschappen die de oude Heidenen in hunne offerdiensten gebruikten; als ook der zelver gedaanten uit de afteekeningen der oude Marmere Friezen, als elders op te gaaren, in een plaat by een te stellen, de Leerbegeerige Schilderjeugt de stukken (als men gemeenlyk zeit:) voorgesneden; zoo dat niemant (óf hy wil) daar in onwetende behoeft te blyven, of zig in zyn werk te vergrypen.

Hier ziet gy dan verbeelt, des Opperpriesters Muts, ook die van een minder Priester; de Slagtbyl, Slagtmessen, koker met Vilmessen, Wierookkandelaar, Lamp, Kiekenkevie, Offerhuif, Offerschaal, den offerpot, Wierookkoffertje, Watervat, Offerkruik, Kroezen, Kwispel, Wywatervat, Bloetpan, enz. in 't voorgaande vaers gemeld.

Met zulke Huif, of Hoofddekzelen dekte de Priesterschap hare hoofden, en die de Godtsdienstige plegtigheden bywoonden, gebruikten daar toe de slip van hun opperkleed of sluyer. Dit bevestigd Plutarchus daar hy zegt: De Romeinen tot de Goden gaande, plachten met bedekten hoofde de zelve te eeren, om met dat teeken de neerslagtigheid hunnes gemoeds te betuigen. En is niet buiten waarschynlykheid van Joachim Oudaan aangemerkt: dat de Apostel Paulus den mannen gebied met ongedekten hoofde te propheteeren; om 't gebruik der Christenen, tegen 't gebruik der Heidenen aan te kanten, en dus onderkennelyk te maken, gelyk zulks ook de toeleg was van Moses, het geen wy breedwydig uit Spencer hebben aangewezen in de Brieven van Philaléthes. Dit Hoofddekzel of deze Opperpriesterlyke Muts,