den. Hoewel nogtans de Karthaginensers deze jaarlykse onmenschelyke menschenslachtinge (volgens getuigenisse van Curtius) noch lange jaren hebben onderhouden.
De Wyngaardeniers hadden voor gewoonte, alle jaar een Ram of Bok aan Bachus te offeren, op dat hy 't beschadigen van den wynstok zou voorkomen. Daar en tegen had Juno as keer van een Geit. Hoewel die van Sparta, zedert dat Herkules hun was voor gegaan, jaarlyks een Geit op haaren feestdag offerden. Dusdanige byzonderheden, thans van ter zyden ingevloeit, zullen wy elders verhandelen, en ons tot de verdere opening der Printvertooningen begeven.
By het sieren der altaren daar wy even van spraken moeten wy ook zeggen dat de Heidenen gewoon waren met dusdanige vercierselen de plinten tusschen de bovenlyst, die het tempeldak schooren, en de kapiteelen op te pronken (daar deze marmere brok, of plaat XII. het bewys van aantoont) en dus in wendig in hunne gewyde Tempelen deden stellen; om den aandagt door die godvrugtige bespiegelingen op te wekken. Gelyk dan deze steen om de gedagtenis daar van te behouden, gemetselt in den muur boven de poort van St. Just ontrent Lions nog te zien is. Waar in zig boven de Festoen met offerbanden aan twee gehoornde Bekkeneelen gestrikt zig ook doet zien een Patera zoo genaamd, dat is, Offerschaal: hoewel dit woord ook van Virgilius gebruikt word tot die schaal, of het bekken daar men gewoon was het bloed der slagtdieren in te vangen. Zie Oudaans Ro. Mog:p. 557. Deze schaal diende om by de offerhande uit te drinken; want (gelyk de Heer L. Smids in zyn kantschrift op Nasoos werken aanmerkt) Zelden waren