Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1718 vol 1.djvu/150

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

’er offerhanden zonder Gastmalen, waar in voornamentlyk de exta of ingewanden der geslagte dieren werden opgesmult, gekookt of gebraden van de Koks, die daar altyd tegenwoordig waren. De gedaante van den pot of ketel, genaamt olla ziet men XIII. vertoond. Daar nevens aan XIV. het wierookkoffertje Acerra genaamd, waar uit de Priester, zoo haast het offervlees aan 't smeulen was, een deel nam en wierp het in 't vuur om den stank van 't gezengde vlees te verdooven. XV. Vertoond een draagbaar watervat, dienende om het offer te reinigen. Ook XVI. het vel van een slagtdier. Dit diende by wylen voor de Priesters die den nagt over in de Tempelen bleven, om de Goddelyke antwoorden af te wagten van de Goden, over 't gene zy verzogten, om op te rusten. Daar Virgyl op ziet in het VII. boek, als hy zeit:

Op vellen neergespreit heeft hy den slaap gezogt. Want de Goden (zeit Cicero) spreken met de genen die slapen.

Hier nevens aan XVII. vertoond zig 't hooft eenes Rams, dat tot gelyke beduiding gesteld werd, als wy van 't hoofd des stiers gezegd hebben. XVIII. Vertoond de gedaante van een Offerkruik, daar de offerdienaars den wyn meê naar de Tempels, of daar de Offerdienst geschiede, droegen, en XIX. twee onderscheiden Kroezen, om den offerwyn, (na dat de zelve al vorens gevuld waren uit de Offerkruik Præsericulum of Sympulum genaamd) op 't altaar te plengen, of de drinkschalen te vullen.

XX. Een wit aarde kruikje met een engen hals Urceus, Urceolus, of Guttus genaamd (Druppelvat noemt het Oudaan) om dat'er het nat als by drup-