Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1718 vol 1.djvu/154

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Dat is Schilder van den Aartshertog Albertus, en algemeen Bewindsman van de Bergen der Barmhertigheid te Brussel; het geen de Lombart betekend. Florent le Comte, Schulpteur, & peintre te Paris, schryft in zyn Kabinet der konsten, dat hy is geweest een Leerling van Marten de Vos die gestorven is in 't jaar 1604. oud 70 jaar: waar by hy doet dit volgende verhaal: Dat KOBERGER door de min getroffen, verliefde op de Dochter van Marten de Vos, en dat hy om die Minnedrift te verzetten voornam een Reis naar Romen te doen, denkende (als het spreekwoord zeit) Uit het oog, uit het hart; gelyk 't ook gebeurde.

Als hy dan een wyl tyds te Romen geweest had vertrok hy naar Napels, daar hy kennis maakte met een Brabander Franco genaamd, een van de eerste en berugste Schilders in dien tyd. Hy was hier niet lang by geweest, of hy verliefde (want Kupido vervolgde hem met zyn minneschigt) op de Dochter van Franco, zoodanig dat hy haar ten huwelyk verzogt, het geen hem, om dat hy een jongman was van goede hoop, en een grooten geest bezat, toegestaan werd. Hy bleef dan nog eenigen tyd in Italien naarstig en yverig de konst voortzetten naar de beste voorbeelden, maar vertrok eindelyk naar Brabant. Te Antwerpen heeft hy in de kapel van de Arbalêtriers in de Lievevrouwe Kerk geschildert een St. Sebastiaan groter als 't Leven; en eenige vrouwtjes in 't verschiet, weenende om de marteldood van dien zant, in welks wezen hy de doodelyke trekken zoo natuurlyk had vertoond, dat'er alle konstkenners van verwondert en verbaast moesten staan, als zy het zagen. Maar dit was zyn ongeluk, dat het stuk