Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1718 vol 1.djvu/164

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Lambert Jakobze Konstschilder en Prediker te Leeuwaarden hem ried het Prediken voor een tyd te staken, en zig tot eenig ander burgerlyk beroep, of Winkelnering te begeven. Maar zyn yver was te vlammende om naar dien raad te luisteren, zig niet ontziende het gevaar dat nem met loode schoenen alzins naging te ondergaan. En hoe afschuwelyk de leer van Armyn, en wat op die leeft schoeide, in dien tyd uitgekraaid wierd, blykt aan dit eene staal; Dat zyner vrouwe moeder, welke te Dordrecht woonde, hem met schroom eenen nagt herbergde, vreezende voor oproer, aangezien het in dien tyd zoo gevaarlyk was een Remonstrant, als een gedrogt in huis te nemen. Tantum potest praejudicata opinio. Zoo veel vermag het vooroordeel, zeit Cicero. Dus veer genoeg.

Hy heeft een Zoon naargelaten, welke de Schilderkonst geoeffen heeft, maar daar kan niet breed van geroemd worden. En 't scheen ons vreemd dat een Vader, die getragt heeft elk van de kunst af te schrikken, in hem geen af keer tot de konst verwekte: ja men had dien goeden man al beschuldigt van onverstant, tot ons het levens bedryf van D.R. Kamphuizen, gedrukt by J. Rieuwertsz. 1699. in handen kwam, en aanwees dat hy niet de Schryver, maar alleen de vertaler is geweest van het Straf-Rym, Idolelenchus, dat in zyn Rymwerken staat, en dus begint:

Beeldryke Schilderhand, na aapster van Gods hand,
U wil ik door gedigt, afschild'ren voor 't verstand;
Verleidster van 't gezigt, dat zig verstaat op 't sterffelyk.
Uw tooversche vergift is meê al ziel verderffelyk.