Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1718 vol 1.djvu/165

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

De Bouw van dit gantsche hekelschrift is gegrond op het misbruik der konst. Als de Keizer Julianus beval dat men onder de Beelden van Jupiter, Mars, Mercurius en meer andere Goden zyn Beeltenis zoude plaatsen, en dezelve op zware bedreigingen belaste Goddelyke eere te bewyzen: wie had nu de schult, of was oorzaak tot deze verfoeilyke afgodery? Niet de konstenaar, om dat hy maker van het zelve was, en des Keizers beeltenis op de beelden der Goden stelde; wyl dezelve geen meerder agting voor het zelve daar door konde hebben als voor eenig ander Beeld; gelyk verhaalt word van zeker Beeldsnyder, die een Khristus Beeltje van Palmenhoud gemaakt had, het welke hem, ziek zynde, van den Priester voorgehouden wierd. En als hy geen de minste eerbewyzinge, of agtinge voor het zelve betoonde, vraagde de Priester wel degelyk verwondert hem of hy zyn God niet meer kende, aangezien hy geen bewys daar van blyken deed: waar op hy antwoorde: Zouw ik dat niet kennen, dat ik zelf gemaakt heb van Palmhout? maar het was de Keizer (om weder tot ons vorige gezegde te komen) die door Schandelyke Eerzucht vervoert, zyn onderdanen met geweld dwong voor de zelve te stuipen. Over zulks worden de gemaakte beelden alleen door misbruik verheven; en dus kon ook Gesteranus op dien voet ook wel den wyn, welke van een nuttig gebruik is, om dat de zelve veeltyds misbruikt wort; meê wel hebben veragt. Die dit volgende rympje,

Die Beeltenissen maakt door verf, van hout, of steen,
Maakt die ook Goden? neen: maar die hun stort gebeên.