Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1718 vol 1.djvu/174

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

taar in de Groote Kerk. By dit stuk heeft hy geen naammerk gesteld, gelyk hy ook niet gedaan heeft by vele van zyne Konstwerken, alzoo zyne vloeijende penceelhandeling in dien tyd genoegzaam alom bekent was. Een uitmuntend Konststuk hangt van hem tot Middelburg by den Heere vander Streng, in zyn leven Ontfanger Generaal enz. verbeeldende een vrolyken Maaltyd, de Beelden levensgrootte. Hy heeft d'eer gehad dat Rubbens, wanneer hy tot Utrecht kwam om de Schilderkonst-oeffenaars te bezoeken, in gezelschap van hun alle, zyne konst by uitnementheid roemde. Waar van Sandrart, die deze reis van Rubbens meld, en zelf zyn Leidsman geweest is, niet een enkel woort zegt, 't geen agterdenken geeft dat zy geen goede vrienden geweest zyn. Immers hier op vat het de Schryver van meergemelde gedrukte Notificatie, als hy deze uitdrukkingen van Sandrart doet: In Italien den tyd tot zyn nut wel besteed hebbende is hy naar zyn vaderland gekeerd, en heeft naar eigen geneigtheid, door diepzinnige en zwaarmoedige gedagten, in zyne werken de Natuur wel, maar onaangenaam gevolgt. Zoo euvel neemt hy dit zwygen dat hy de spreuk: Dat voor een levenden Ezel licht is, een dooden Leeuw met den voet te treden, op hem toepast.

Dog dit overgeslagen. De Dood, als nydig over zyn roem, knipte zyn levensdraad af, op het 42 jaar, op Alderheiligen dach 1629. en 't zyner gedagtenisse is dit volgende Graf-Schrift na gebleven:

Hier leit TER BRUGGEN, door de Dood
Verrast, en overrompelt:
Van 't dierbaar levensligt ontbloot,