Kato plag te zeggen: Dat hy verwondert was, dat een Wichelaar niet lachte, zoo dikwils hy een Wichelaar tegen kwam; om dat zy onder schyn van Godsdienst het gemeene volk by de neus omleiden.
Velen hebben zig afgeslooft om den Godsdienst der Heidenen in zyn binnenste te beschouwen; om de ydelheid deszelfs, en de bedrochplegingen der Wichelaren en Tempelpapen t'ontdekken en aan 't licht te brengen. Maar wy beschouwen het zelve maar alleen in den buitensten omtrek, en doelen op de zienlyke pragtige versierselen; (welker glans het gemeen in d'oogen schitterende te meerder achting voor dien Godsdienst deed hebben) om onze Konstgenoten in 't gemeen, en de yverige Schilderjeugt in 't byzonder dienst te doen; wanneer wy hun den weg wyzen tot de Oudheidkunde, 't welk nootwendig is voor die zig tot het verbeelden der Historien begeven, en niet graag tegens het gewoon gebruik dier aeloude volken mistasten. En op dat de leergierige jeugt zig verzekerd mogt houden dat de kundigheid dier dingen den Konstschilders dienstig zy, zoo heeft hy maar alleen op te merken, hoe G. Laires alzins daar 't te pas komt, zig van dergelyke sieraden (om zyn werken luister by te zetten) heeft weten te bedienen: en nog meer roem verdient zou hebben, zoo hy de outheid daar in nagebootst had.
Tot dus ver oordeelen wy in opzigt van den toestel der Heidensche Offerhanden met hun aankleven genoeg gezeit te hebben; schoon wy alleen de franje (om zoo te spreken) van dien voorhang alleen beschouwd hebben. Verder was onze toeleg niet: en men oordeelt een zaak volkomen te wezen, die aan het oogmerk voldoet.