Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1718 vol 1.djvu/191

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen


Hy, die den Krygsgod Mars, die als een Salamander
In 't vuur van buskruit leeft, noch legers aan malkander,
Noch 't zwangere metaal, met koegels opgevult,
Dat als 't zyn vlam uitbraakt, vervaarlyk loeit, en brult,
Noch 't blanke zwaart, geschaart op blinkende kasketten
Zag rukken uit de scheê, noch trommels, noch trompetten,
Den aantocht blazen: en veel min in 't bloedig velt
Ooit was, daar lyk op lyk gestapelt, door 't gewelt
Verwonnen, legt ten prooi der plonderzieke handen;
Of daar men dorp aan dorp, ziet als een Etna branden;
Nochtans al dit bedryf des Oorlogs zoo vertoont,
Als of hy 't van de wieg af aan had bygewoont.
Men ziet hoe legers als verwoede Tygerinnen
Het bloedig schoutoneel, in rook, en vuur beginnen:
En hoe de dolle wrok weerzyds niet is gepaait,
Ten zy'er is een oegst van lyken afgemaait
Door 't blinkent staal, gewet op moort en bloetvergieten;
Hoe een verdwaalde troep zich voelt den moed ontschieten,
Daar yder vrugteloos kermt om 't leven in dien nood.
Hoe ginder een die zig van helpers vint ontbloot:
Mee moet den bangen steek der punt van 't lemmer smaken,
En uit die open wond zyn veege ziel uitbraken.
Daar weder anderen verminkt aan arm en voet,
Vast worst'len met de dood, en zwemmen in hun bloedt.
Den gantschen handel en byzondere bedryven
Des Oorlogs, kon geen pen zoo ysselyk beschryven,
Noch ook de trekken van het wezen als de nood
Den mensch zoo prangt, dat hy om hulp roept aan de Doodt,