’t zyne niet en was te verwerpen.
Ik houde deze laatste wyze ook wel voor de zekerste, ook de tweede wel voor de vremdste; en lust het u Lezer, te luisteren, ik zal u diergelyk verhaal doen van den Franschen la Fage, door zyne Teekeningen en Printkonst genoeg bekent.
JOAN VANDER BRUGGE, die te Parys omgang met hem hadde, had zyne Landsluiden, Brabanders, wonderen van dezen Raimond la Fage weten te vertellen, en hun belofte gedaan, dat hy hem eens van Parys meê zouw brengen, gelyk hy dan eindelyk deed. Hy kwam met hem in de gewoone schilderskroeg, en plaatste hem nevens den schoorsteen aan den haart, zonder dat ymand daar eenig agt op gegeven had, veel min eenig vermoeden dat dit la Fage was, die met hem was ingekomen. Behalven dit had hy geen glansig goud, of zilver om zig, dat straks het oog trekt en dikwils gelegentheid veroorzaakt in de nieuwsgierigen om te weten wie zoo een is.
'T leed niet lang of 't gezelschap maande VANDER BRUGGE tot het voldoen van zyne belofte, waar op hy met een lachenden mond antwoorde: Of ik hem nu eens meê gebragt had? Hier door stak elk d'ooren op, en begon d'een voor en d'ander na te vragen: waar is hy? Daar op (na hy hen een lange wyl in de maling gehouden had,) zeide hy: la Fage is onder ons gezelschap, en wees hem aan: doch zy namen dit op voor spotterny, waar om ook sommigen zig niet ontsagen te zeggen: (wyzende met den vinger op hem) is dit la Fage? hy lykt 'er wel na. Dit lokte la Fage uit den hoek; die zyn hals als een paauw opstak, en met een bytende stem zeide: Ik ben 't zelf, en wilt gy 'er 't