Hier leven twee door konst, de Zoon met zynen Vader.
Beider neiging liep tot het schilderen van allerhande soort van oog- en smaakstreelende vrugten, als Druiven, Persiken, Abrikoozen, Kersen, Oranje, Sitroene en Granaatappelen. Beyde waren zy afgericht op 't nabootsen der schoone natuur; zoo dat'er gezeit word by gemelden de Bie:
De Zoon doorploegt zoo wel, zoo zuiver en zoo wakker,
Gelyk de Vader doet, Picturaas vrugtb'ren Akker.
Die 't werk van Vader en van Zoon stelt by malkander, Kan geenzins onderscheid bespeuren........
Doch inzonderheid word JAN DE HEEM geprezen, om dat hy het Goud en Zilver als schotelen, schalen enz. natuurlyk wist na te bootsen als of het waarlyk Goud en Zilver was. Op het een en ander ziet het volgende vaers:
Wanneer DE HEEM, vol vuurs, op 't onbezielt paneel,
't Nieuwsgierig oog verschalkt door streken van 't penceel,
Verwondert zig Natuur, die voor den gloed der verven,
Haar Ooft, hoe glansryk ziet verbleeken en besterven.
'T is ydel datmen van den vrekken Midas rept;
Hier heeft de Kunst de verf in klinkklaar goud herschept.
Zyn Beeltenis staat in de Plaat K onder Ant. van Dyk, wiens Beeld van de Schilderjeugt met verwonderen word aanschouwd.