Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1718 vol 1.djvu/258

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Hy ontweek in den jare 1670 met zyn vier Dochters en twee Zoonen, den moetwil der Fransche soldaten, die kort daar aan het Sticht overstroomden naar Antwerpen, maar stierf 1674 na dat hy meer dan seventig jaren bereikt had. Beide zyn Zoonen oeffenden zig meê in de konst. Van KORNELIS die wel 't veerste gevordert was in de konst vintmen naam: maar van den anderen ziet men zelden stukken die met zyn naam gemerkt zyn, aangezien hun Vader voor gewoonte had hunne werken met zyn konstpenceel 't overloopen of over te polysten, gelyk ook de stukken van Minjon die eenige jaren by hem woonde om de konst te leeren. Men mag hem wel meê onder de gelukkige schilders tellen.

J. Sandrart verhaalt dat Tomas Keyzer t'Amsterdam hem voor twee kleine stukjes schildery aanbood de somme van 450 gulden; maar dat hy dezelve, schoon hy een vrint van hem was, niet geven wilde.

Behalven Abrah. Minjon (waar van wy naderhand melden zullen) word ook de Utrechtse HENRIK SCHOOK onder de Leerlingen van JOH. DAVIDSZ. DE HEEM geteld, alschoon hy eerst Abrah. Bloemaart, en Jan Lievenze den ouden tot onderwyzers gehad heeft, en in de Historien al een wyden stap gevordert was. De lust dreef hem (wie kan zyn geneigtheid altyds paal zetten?) om eens een Bloemstuk te maken, 't geen hy aan JAN DE HEEM, aan wien hy kennis had vertoonde, die het zoo fraai keurde dat hy hem ried op dien voet voort te gaan, en zig geheel daar aan te houden, sprekende openhartig (gelyk hy dus voor alle jonge Schilders gewoon was te doen) van de Konst, en de behandelinge der zelve met een gegrond oordeel,