’T was WILDENS, welkers konst ontfing haar eerste leven
Door Rubbens, in dien tyd den grootsten in de konst,
Zy heeft uit dankbaarheid ook eindelyk die gonst,
In zyne Beeltenis, aan hem weerom gegeven.
Maar dit is de waarheid dat P. Paul. Rubbens dezen WILDENS veel gebruikte om de gronden en agterwerken met landschappen te beschilderen, het geen deze volgende regelen zeggen willen:
Als WILDENS had den grond aan Rubbens konst gebragt,
Zoo kwam'er 't leven in, met een veel grooter kragt.
Wie zou den tyd, indien hy wezentlyk was, niet met scheve oogen begluren, om dat zoo menig konstwerk, door den zelven zoodanig vergruisd is dat'er byna niets overblyft, om des werkmeesters roem te bestempelen? Gelukkiger zyn daarentegen geweest, zulke welker konstwerken de woedende klauwen der oproerige Beeldstormers ontrukt, of door byzondere voorzorge bewaard, voorhanden zyn: om den naam van hunnen maker in spyt van den tyd eeuwen te doen leven op de tongen der konstlievenden, en tot voorbeelden van naarvolging te strekken. Dus is het gegaan met de konststukken van den Hollandschen PIETER VAN DE PLAS, tot welkers loffelyke gedagtenis Korn. de Bie van hem zeit: Hy verdient een groote eer, en afgescheiden te wezen van alle konsthatende berispers, als die in veel deelen van de konst anderen overtreft en te boven gaat, waarom de re-