Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1718 vol 1.djvu/266

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

de vereist hier te gedenken aan de treffelyke ordonantien die Pieter vander Plas heeft in zynen tyd door zyn konstpenceel, tot verwonderinge van alle liefhebbers, voortgebragt, mits daar in is te bespeuren dat de natuur hem mild begonstigt heeft met de gaven van de uiterste volmaaktheit die in't leven kan gezien worden, gelyk tot Brussel en in andere uitlandsche steden nog van zyne werken te vinden zyn, welke getuigen dat hy zonder beroeminge niemant in onze eeuw in grooter volmaaktheid naar reden, proportie en eisch van eenige schilderkonst behoefde te wyken. Hy is binnen Brussel gestorven.


Hier aan laten wy volgen den konstoeffenaar JAKOBUS DE GEEST schilder van Antwerpen, op welks dood den Dichter Jan Vos deze lykklacht gemaakt heeft:

Antwerpen, treur, ei! treur, uw kunst is nu in noodt:
Laat al de tranen vry langs uwe kaaken loopen.
Vraagt gy: om welk een reên? uw schilders Geest, is doodt.
Wie zynen geest verliest, heeft op geen kunst te hoopen.

Dit volgende paste dezelve dichter op de konstschilder Gerret Bartels, die door den val van een steen sturf:

Twee steenen rukten 't lyf van Bartels van ons af; :D'een die hem't hoofd verplet; en d'ander op zyn Graf:
Men hoort zyn kroost vergeefs by deze steenen steenen. De dood verschoont Geen geest; zy lacht als and'ren weenen.