Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1718 vol 1.djvu/287

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

nings armen den geest gaf. Zie K. van Mander p. 57.

Den moord van Polidoor heeft de Raad van Romen zoo euvel opgenomen, dat den Moorder zoo swaren straf wierd aangedaan, als of hy eenen van den Raad om 't leven had gebracht. Dit merkt Philips Angels in zyn lof der Schilderkonst aan op p. 22. en voegt daar by, dat de Venetianen nog in later eeuwen, zich door de Konst zoo vereert agtten dat zy aan brave meesters jaarlyks 300 kroonen ten geschenk gaven, op dat zy die binnen hunne muuren mochten behouden. En hoe meer men in d'oudheid te rug treed, hoe meer men zal ontdekken de groote achtinge die men voor de Konst en Konstenaars over hadde. 'T waaren Apelles en Praxiteles die het geluk alleen hadden, dat de grootste waereldvorst hunne konst beminde; waar op zeker Dichter zinspelende, zeit:

Apelles werd, uit veel', alleen gesteld,
Te schilderen den grooten Alexander;
Praxiteles, bad oorlof, en geen ander,
Een marmer beeld te snyden naar dien Held.

D'eerstgemelde schilderde daar nevens voor den Vorst een naakte Venus, Anadyomene, zeit Plinius dat is, vers uit Zee opkomende: waar toe hem de schoone Campaspe, Alexanders byzit, tot een levendig model om naar te schilderen vergund werd. Maar wat gebeurt 'er? De ontvlamde drift, hoe zeer hy ze trachtte te bedekken was niet zoo te ontveinzen, of het wierd van Alexander bemerkt. Die ziende zyne grootmoedigheid hier door ter proef gesteld, besluit, daar hy tot dus veer de waereld bedwongen had, ook zyn neiginge te bedwingen. Hy stapt