dat de konst zig meer en meer voortzetten zoude) een Academie, of oeffenplaats om naar 't naakte leven te teekenen, heeft opgerechgt in den jare 1664. en in den jare 1695 een pleister-Academie waar toe zy de keurlykste afgietsels der geachtste Antiken hebben opgezogt. Welke Academien of konstscholen vergroot en verbeterd zyn in den jare 1694 en 1695 zedert welken tyd dezelve kamer pronkt met het marmere Borstbeeld van den Hertog van Beyeren, toen Gouverneur van de Spaansche Nederlanden en groot beminnaar van konsten, inzonderheid de Schilderkonst, als ook een yverig voortplanter dier oeffening.
Het geld tot onderhoud van gemelde twee Academien en verdere kosten die daar op loopen, word gevonden uit 12 vrybrieven door de Gouverneurs uit order van den Koning van Spanjen aan het Konstgenootschap vergunt, om de gemelde kosten tot opbouw der Konst goed te maken. Yder der zelve word waardig geschat 800 gulden meer of min, na die schaars te bekomen zyn, en zy worden van het konstgenootschap verkocht aan gegoede Borgers; om van alle Borgerbeamtingen, die kostbaar en lastig vallen, vry te zyn voor hun leven: als Gildemeester-, Kerkmeester-, Wykmeester-, Vaandrig- en mindere Officierschappen van de Borgerwacht. Welke vrybrieven, de bevoordeelden overleden zynde, straks weder vervallen aan het konstgenootschap dat dezelve weder op nieuws aan anderen verkoopt, en tot onderhoud der konstschole zig van die penningen bedient.
De twee laatste der gemelde vrybrieven zyn hun door gunst der Keurvorst van Beyeren bezorgt, wanneer zy hem tot Protector van de konst, en