Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1718 vol 1.djvu/295

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

het konstgenootschap inwyden. Dit geschiede op den 2 van Sprokkelmaand 1693. De schilderskamer was rykelyk behangen met penceelkonst van uitmuntende Meesters, en de Heer Jan Babtist Gryns oud Borgermeester, en hoofdman der konstkamers, en Dekens haalde den Vorst op, gelicht door menigte flambouwen, tot de konstzaal, daar een tafel met kostelyke spyze stont aangerecht om zyne Doorl. te onthalen. Waar by zig allerhande konstig snarenspel deed hooren, en naar het eindigen opende zig een Toneel, daar zig de Antwerpsche Steedemaagt treurig leunende op een waterkruik (verbeeldende de Schelde) op vertoonde. Straks verscheen Apol die haar naderende dus aansprak: Hoe leit de Stedemaagt zoo treurig? wat reden zyn 'er die u de zilte tranen langs de bleeke wangen doen rollen? gryp moet; de Goden zyn door uw klachten bewogen. Als ik in het morgenkrieken (vervolgde de Zonnegod) myn hengsten uit het pekel opmende, zag ik een Held uit het huis van Oostenryk tot u naderen; om u in zyne bescherminge te nemen, waar door de konsten weder als voorheen in vollen luister zullen bloejen enz. Ook kwam een Beeldhouwer en Schilder op het Toneel. Deze met een beschildert doek, daar de belegering van Belgrado op afgebeeld stond, en boven dezelve de Faam, die des Vorsten roem trompette: 't welk ook de voorname toeleg van dit spel is, 't geen ook B. Ogier huisvrouw van Guil. Kerricx die het zelve berymt heeft, te kennen geeft. En zeker dit spel verdient dat men 't pryze, te meer wyl het in zoo korten tyd opgeslagen is.