Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1718 vol 1.djvu/303

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

onderwyzer in de Konst zou geweest zyn. En Simon van Leewen, in zyn korte beschryving van Leiden, zeit: dat Joris van Schoten de leermeester van Rembrant en Jan Lievensz. geweest is.

Terwyl hy dan yverig en met grooten lust by zig zelven aan zyner Ouders huis, dagelyks de Konst voortzette, kreeg hy nu en dan bezoek van konstlievenden, welke hem eindelyk aanwyzing deden aan een Heer in den Haag, ten einde hy zeker stukje 't geen hy toen gemaakt had aan den zelven zoude vertoonen en aanbieden. REMBRANT trok daar op met het zelve te voet naar den Haag, en verkogt het voor honderd gulden. Hy, wonderwel in zyn schik en niet gewoon zoo veel gelt in zyn buidel te hebben, verlangde straks om op 't alderspoedigste t'huis te komen, op dat zyne Ouders deelgenooten wierden van de verheugenis die hy daar over hadde.

Te voet gaan was nu te gering, met de Jachtschuit te varen te gemeen, des ging hy op de wagen zitten, die naar Leiden reed.

Wanneer zy nu aan 't huis den Deil pleysteren zouden, en elk van den wagen afging om zig te ververschen, bleef onzen REMBRANT alleen op den wagen zitten, by zynen buit, vertrouwende den zelven niet alleen. Wat gebeurt'er? de kreb naau weg gezet, terwyl de wagenaar vast met de rest van 't volk aan kwam treden, raken de paerden op den hol, en rennen met hem voort, zonder zig aan 't keeren te steuren tot binnen de Poort van Leiden, en bleven voor hun gewoone Herreberg met den wagen stil staan daar elk zig over verwonderende, hem vraagde hoe zulks waar by gekomen; waar tegens hy niet veel praat hield, maar zig van den wagen en met den buit weg-