Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1718 vol 1.djvu/340

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

vergankelykheid van 's menschen leven, en den onwissen wissen sterftyd. Men moet waarlyk zeggen van zulke geschilderde Beeltenissen te teekenen van de sterflykheid:

Elk is een Doods Herout, die zeit:
Gedenk ô mensch, dat eens uw luister,
Uw schoonheid, roem en heerlykheid,
Zal worden in het graf geleid,
En door een zark bedekt in 't duister.

Heeft het konstpenceel geldzakken tot barstens toe opgevult, Juweelen en andere waereldschatten verbeeld, de aandagt daar in spiegelende, en door de rede den aart dier zaken beschouwende, onderwyst het gemoed uit de gevolgen, dat

Die zig aan 't blinkent goud Sjabloon:SICvergapen,
En zoeken hunne rust in 't gelt,
Steeds onrust vinden die hun kwelt:
Zoo wel in 't gretig zamenschrapen,
Als in 't bezitten van hun wensch;
Doch schoon het zelve noch genoegen
Noch rust, maar onrust baart na 't zwoegen,
'T blyft egter 't doelwit van den mensch.
Dus was 't voorhenen, en nog heden.
De Muntgod word steeds aangebeden.


’T is zeker, zeit Isidorus, dat de leerzame vonden van 't menschelyk vernuft ontspruiten uit goede opvoedinge, of uit natuurlyke gesteltheid. En daar een deugdzame geest het penceel geleid, is de verbeelding leerzaam. Hier in word ook LEONARD VAN ORLY geprezen, als mede een DAMMORI VAN LUIK welke door hun konstpenceel