........... Pictoribus atque poétis
Quidlibet audendi semper fuit aequa potestas.
Zyn Zoon Joannes Erasmus Quellinus was in 't jaar 1660 te Rome, toen pas 27 jaren oud, daar hy grooten opgang in de konst maakte. Onze ERASMUS wiens Beeltenis zig in de Plaat N onder aan doet zien, heeft ook een Broeders Zoon gehad Artus Quellinus genaamt, welke de Beeldhouwers konst oeffende. Vondel noemt hem het licht der Beeldhouwery, en Nederlandschen Fidias, en laat zig dus op zyn Beeltenis door Held Stokkade geschildert hooren:
STOKKADE maalde aldus de helft van 't zigtb're deel
Van Artus Fidias. Waarom hem niet geheel,
Of t'effens lyf en ziel, zyn konst met al haar vonken?
Zo heeft QUELLYN zig zelf in marmer uitgeklonken.
De Lezer zal ligt wel opgemerkt hebben, dat ik in 't begin van Quellinus levensbeschryving, wanneer ik den inhoud van eenige zyner penceelwerken aantoonde, gezegt heb: aan tafel leit; om aan te duiden dat de Joden voor gewoonte hadden, op bedden aan te leggen in hunne maaltyden: egter zal het niet ondienstig wezen dat myn pen hier omtrent wat breeder uitweid; op dat de schilderjeugt zig daar van bediene, wanneer zy dergelyke voorwerpen vertoonen wil, en het dwaalspoor van velen hier in myden.
Van waar, en wanneer de gewoonte van op de maaltyden aan te leggen onder de Joden ingekropen is, kan niet zeker gezegt worden. Hugo de Groot is van gevoelen dat deze gewoonte onder de Joden gekomen is, door naarvolging van de Assy-