Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1718 vol 1.djvu/350

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

de Beeltenis van Eras. Quellinus. Waar nevens wy ook een uitgedompte graflamp doen zien; ten zinteeken dat die bovenstaande konstlichten door den tyd, hun roem benydende, uitgedooft zyn.


Om dezen tyd vinden wy ook gemeld van eenen KAREL ERPARD, en van de Bie in zyn Gulde Kabinet pag. 520. geprezen.

Doordien zyn konstpenceel vol levensaardigheid.
Den geest verlokt, en door bevalligheid verleid.


Leiden, dat nevens andere Hollandsche steden mede heeft konnen roemen over het voortbrengen van stedelingen, die als heldere fakkels in de schilderkonst uitflikkerden, bracht ook in den jare 1607
JAN LIEVENSZ. op den 24 van Wynmaand voort. Zyn Vader Lieven Hendrikze, was een konstig Borduurwerker, naderhant een Pachter. En ziende de groote geneigtheit, en drift die zyn Zoon tot de schilderkonst hadde, bestelde hem nog maar acht jaar oud om de gronden en beginzelen dier konst vast te leggen by eenen JORIS VERSCHOTEN. Toen hy ontrent tien jaar oud geworden was, zyn Vader ziende dat hy in die drift volhardig bleef, nam besluit van hem daar in te laten voortgaan, en bracht hem by den vermaarden schilder PIETER LASTMAN tot Amsterdam; by welken hy twee volle jaren bleef, en braaf in de konst vorderde.

Naa dezen tyd heeft hy de Konst by zig zelven geoeffent, gebruikende het leven tot zyn onderwyzer, en bragt het zoo veer door vlyt en naarstigheit, (en 't geluk viel hem toe) dat alle konstkenners zig verwonderden dat een jongen van