Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1718 vol 1.djvu/352

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

In Engeland ontrent drie jaren geweest zynde is hy wederom te rug gekomen op Calais; van daar op Antwerpen, daar hy zig neersloeg met 'er woon, en met de Dochter van den berugten Steenebeeldhouder Michiel Colyns trouwde. Vele roemwaarde groote stukken heeft hy in dien tyd voor Kloosterpapen, en byzondere persoonen, gemaakt: gelyk ook in den jare 1640, voor den Prins van Oranje, en Borgermeesteren van Leiden twee groote stukken, waar van het eene verbeelt de beruchte daad van den Roomschen Scipio Africanus, daar hy de ondertroude Princesse hem aangeboden haren Bruidegom ongeschonden te schenk weder geeft.

Hy heeft ook de eer gehad van op 't Raadhuis te Amsterdam (nevens GOVERT FLINK, en FERDINANDUS BOL) een voornaam stuk te schilderen, daar J. v. Vondel dit volgende byschrift (door den berugte pen-en penceelschryver Koppenol daar onder geschreven) gemaakt heeft.

De [1]Zoon van Fabius gebiet zyn eigen Vader
Van 't paert te stygen, voor Stads eer en achtbaarheid.
Die kent geen bloed, en eischt dat hy eerbiedig nader.
Dus eert een man van staat, het ampt hem opgeleid.

Dit stuk hangt in Borgermeesters kamer voor den schoorsteen.

  1. De Borgermeester Suesso gebood zyn eigen Vader G. Fabius Maximus, door den Raad van
    Romen als gezant aan hem gezonden, van 't paart te stygen, door dien 'er een wet was, dat niemant te paert zittende een Borgermeester mogt naderen, om aan te spreken. De Vader gehoorzaamde dit bevel met eerbied, en bewees zyn Zoon dien pligt welke hem als Borgermeester toekwam.