stuk van FERDIN. BOL, voor den doorluchtigen Zeeraat te Amsterdam, in 't Reisjacht geschildert aldus:
De groote Zeevoogdin bezweert den waterheilig
En Opperadmiraal, in haren dienst getreên,
Dat by de Zeevaart voor 's Lants Vrede en Vryheid veilig,
En zeegene den bouw en koopvaardy der Steên.
De Zeevoogt om dien last gehoorzaam uit te voeren,
Neemt daatlyk Sterkheid, en Voorzigtigheid te baat.
Nu durft geen rover, nog geen storm de vinnen roeren.
Dus groeit de handel aan, ten wasdom van den Staat.
Ook zietmen nevens het grootste gemelde groote stuk, nog verscheiden Konststukken van hem, op 't Amsterdamsche Raadhuis, als een op de Raadkamer, boven den schoorsteen, waar in verbeeld staat de verkiezing der oudsten in Israël, om neffens Jetro den schoonvader van Moses, het volk te richten. En in der Schepenen Kamer, daar Moses de Wet in steene tafelen op Sinai ontfangen hebbende, afbrengt, en die het volk voorhoud, daar dit vaers op ziet:
Hebreeusche Moses heeft de Wet van Godt ontfangen,
Waar mede hy naar 't volk van boven wederkeert:
Dat hem eerbiedig groet, en welkomt met verlangen.
De Vrye Staat luikt op, als 't Volk de Wetten eert.
Nog een proefstuk van zyn penceelkonst ziet men in 't Borgermeesters Vertrek, waar onder meergemelde Vondel dit byschrift tot verklaringe van den inhoud gemaakt heeft: