Deze pagina is proefgelezen
De oude gedenkschriften melden van eene Vestaalse maagt Lala[1] genaamt, die de konst van schilderen verstont. Maar wat hoeven wy in de [2]twyffelagtige oudheid voorbeelden op te zoeken? de voorgaande eeu levere ons [3]Marietta Dochter van den berugten Italiaanschen schilder Tintoret, in dezelve konst tot verwonderinge van
- ↑ Lala van Cyzieus, of Spiga. Deze (zeit Plinius) was zoodanig bedreven in de penceelkonst dat haar werk ongelyk waardiger geschat wierd, als dat van den schilder Sopilos: schoon dit tot een hoogen prys verkocht wierd.
- ↑ Twyffelagtige oudheid. Wy spreken dit niet tegen, noch min den volgenden roem der doorluchtige vrouwen, maar zeggen dat de Dichters zomwylen de palen van vryheid wel wat veer uitzetten, en gevolgelyk zoo heel veel staat niet op dezelve is te maken: terwyl wy ondertusschen gedagtig zyn aan de spreuk van Gratiaan: De waarheid komt zelden zuiver voor onze ooren, voor al wanneer zy van veere komt; want dan vat zy eenige verf van de hartstochten, die zy op haren weg ontmoet.
- ↑ Marietta Tintoret geboren te Venetien, leerde de konst by haar Vader, waar toe zy zoodanig geneigt was; dat zy gewoon was zig, toen zy nog jong was, in jongens gewaat te verkleeden, om by haar Vader (wanneer die groote werken buitens huis schilderde) te mogen wezen, welke haar ook inzonderheid lief hadde, zoo dat zy voor zyn Zoon wierd aangezien. Zy heeft uitgesteken in het schilderen van pourtretten, schilderende veel Dames, die graag by haar waren, wyl zy dezelve, door haar zang en snarenspel, waar in zy beroemt was, wist te vermaken. 'T geen haar inzonderheid berugt maakte was het pourtret van den Bisschop Marco en dat van den Opperhofmeester van Keizer Maximiliaan: welk pourtret zy aan den Keizer vereerde, en zig daar door zoo beroemt maakte dat zy daar door gelegentheit kreeg om Philippus den tweeden Koning van Spanje, en den Aartshertog Ferdinand te schilderen. Zy stierf in 't jaar 1590, oud zynde maar 30 jaren, en wert begraven in de Kerk van Sante Maria dell Horto. Dus melt Sandrarts Tuitsche Academie, pag. 170.