Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1718 vol 1.djvu/386

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

der gevangen zat dien hy tot zyn vermaak wat wilde laten maken dat RUBBENS straks inwilligde en daags daar aan vroeg morgens het verzogte deed brengen.

BROUWER was niet traag om zig tot een begin te schikken, en 't geval wilde dat hem een voorwerp in 't oog kwam waar van hy zig bediende. Zommige Spanjaarden die zig om een hoek neerzetten om een kaartje te spelen, plaatsten zig juist zoo dat zy hem tot model verstrekten, van welke hy straks een afschetzing maakte, (den yver in 't spelen, en den ernst der wezenstrekken prente hy voorts in zyne gedachten) en voorts met de penceel aan 't werk in weinig dagen een konstig tafereel voltooide, waar in de Hartog groot gevallen had; om den ernst dien zy in 't speelen betoonden, en de natuurlyke verbeelde magere getaande Spaansche troonien. En inzonderheit om een die in 't verschiet zat te kakken, waar in het drukken, als wilde het zig niet gemakkelyk ontlasten, zoo natuurlyk en potzig vertoont was, dat men 't zelve zonder te lachen niet konde aanzien.

RUBBENS die (als ik gezegt heb) kennis aan den Hertog had, kwam hem kort daar aan bezoeken, en vergat uit nieuwsgierigheid niet te vragen: wat die arme schilder voor hem gemaakt had? 't geen de Hertog hem vertoonde. Die dit ziende strak uit verwondering zeide: op myn ziele... 't is van BROUWER! en bood den Hertog straks 600 gulden voor 't zelve, dog die wilde het om de geestige verbeelding tot zyn vermaak, en ter gedagtenis van dit voorval, behouden.

RUBBENS, die niet dulden kon dat zoo brave konstenaar zoo slegt gehandelt wierd, ging ten